De poekies gaan op 7 juli naar IJsland (en lossen het mysterieuze raadsel van de verdwenen geiser op?)
Na ons avontuur met de mysterieus ondergeregende benefiet in Antwerpen
hebben onze helden dan eindelijk de knoop doorgehakt en besloten om
zich naar het iets koudere ijsland te begeven. Wat wisten zij eigenlijk
over dit land? waarom zijn zij juist hier naar toe gegaan en wat voor
avonturen staan hun nu weer te wachten? Het blijft een groot mysterie.
Lees er alles over in de komende feuilletons, alhier.
“De trein is altijd een beetje reizen”, zegt de NMBS, maar waar gaan we
heen? Waar vluchten we nu weer naartoe? Nog een rondje Guggenheim met de o zo mooie, o zo onbetaalbare kunst? Naar de disco met de oorverdovende lustopwekkende dreunen of helemaal languit aan een subtropisch post-tsunamisch strand? Of ga ik weer op mijn bek, uitgebrand en opgeblust?
Het maakt me geen moer meer uit waar de trein me uitspuwt. Eerlijk
gezegd vind ik het hier vlotjes rollen, lekker deinen. Ik kan hier
herbronnen, genieten van de zachte plop die de champagne bevrijdt uit haar dure keurslijf. De neptulpen uit Made in China zijn mooi meegenomen en vrij toepasselijk wat de roots van Mr. Toelips betreft. Het is hier een schandalig beekje decadent, het hele wellness-gebeuren. Het loopt hier werkelijk de Spagaten uit. De natuurwet is ver te zoeken. Hier wordt gesmost met het blauwe goud! Waar gaat dat in godesnaam naartoe? Wie is de bron van alle kwaad? Ik zal het je zeggen: het is de lente, potverdorie! We gaan weer met zijn allen naar de knoppen – mijn excuses voor dit plagiaat.
Thuis is waar mijn Stella staat, waar de fritten vet zijn en de saus
mayonaisisch. Waar chocola wordt gemaakt met echte melk, waar
kraantjeswater echt wel drinkbaar en zelfs lekker is. Het doet deugd
iets bekends te zien. Al is het een uniform van een Witte Tornado, de
lach van mijn favoriete Turkse groenteboer, de steentjesmozaïek in de
Scheldetunnel. Ik bekijk het als voor de eerste keer, soms van een andere kant, maar steeds met nieuwe ogen.
En word ik overmeesterd door een heimwee naar de Aziatische toppen, of
overmand door een verlangen naar een Zenmeester, dan rest mij nog de
zure Kriek Lambic. Want daar is tenslotte waar mijn bakermatje ligt.
Zo, dat zit erop. Azië staat op mijn geheugenkaart! Veel gezien,
geroken, geproefd, gehoord en gevoeld. Ik weet nu een beetje hoe het
daar werkt, waar het om draait. Nu is het tijd voor de familiefeestjes,
de Amsterdamse grachten, de Edamkaashapjes en kroegvrienden. Maar nu is
het ook tijd om de handen uit de mouwen steken. Ik ben volop en goe
bezig met het voorbereiden van een wijkbenefiet-tombola-concert voor
het Dicky weeshuis in Lhasa, Tibet, China. Vermoedelijke datum van
ontpopping is 17.06.2006, tevens de verjaardag van grote broer Thomas.
Allen daarheen! Hulp is welkom. Neem gerust contact op en vertel me
jouw talent.
Verder wordt er achter de schermen door de webtovenaars werk gemaakt
van de lancering van de Stoerke.local website, alwaar ik de wijze kabouter
in mij lekker zijn ding kan laten doen. U verneemt meer op later
tijdstip.
Last but not least kan ik nog melden dat deze site blijft voorbestaan
voor de kleine en/of grote reisreportages waarin wij ondertussen al
geniaal geoefend zijn. De droom om dit ooit in multi-media pakket uit
te geven zit voorlopig rustig te wachten in de leeszaal van de
Bibliotheek des Levens. Che sarà, sarà…
Veel indrukken, weinig drukkunst. Veel tempels, weinig esprit. Chiang
Mai kan je maken of kraken. Na een rondje woede, razernij en doorweekt
rouwverdriet ging het richting Thuis via Bangkok Hospitaal. Zeven
maanden reizen is lang. Ik heb, denk ik, in gedachten 1000 boeken
geschreven en wil nu alleen nog haiku’s leren spreken.
Ik maak nu werk van een geldinzameling voor een kind in Lhasa. Je leest
er later meer over op de webstek in wording. Als het goed zit, wordt
het stoerke.local [ even geduld ajb ]
We wonen opnieuw in: Prekersstraat 57 bus 5 2000 Antwerpen.
Kees +32 (0) 499 271 042
Sarah +32 (0) 475 415 818
Laat de berichtjes to the point en de gesprekken op maat zijn ajb. We
komen op adem van een lange weg…
Je ziet op de postkaart een maagdelijk wit strand met wuivende
palmbomen aan een azuurblauwe zee. Op de voorgrond dobbert eventueel
een houten roeibootje en verder niets dan ongeschondenheid en een
natuurlijke puurheid van de zuiverste soort. Er zijn wel duizenden
eilandjes aan de Thaise kust, dus ik ben zeker dat het
postkaartmodelstrand er ook wel ergens ligt, alleen, je komt er niet.
Er gaat geen boot heen en als je er al raakt, ben je aangewezen op je
Robinson Crüsoe-vaardigheden om er te overleven. Dus je gaat voor Plan
B: het bewoonde eiland. Aan een gebroken wit strand wuiven de palmbomen
slechts sporadisch. Het is hier doorgaans bloedheet. Het azuurblauwe
moet hier en daar onderdoen voor de dieseltinten, want aan het strand
dobbert niet één vissersbootje, maar is het een aan- en afvoeren van
bootladingen toeristen. Het maagdelijke beperkt zich voornamelijk tot
de bleke huidskleur van de vooral Zweedse arrivées die hier hun
jaarlijkse dosis zonnebrand komen slikken.
Mijn eerste protest ten spijt, geef ik me over aan het Costa-gebeuren
en doe ik wat je hier doet: logeren in een resort, aan een zwembad
liggen, in het ligbad lezen en staren naar de – ozonsondergang.
Op de nationale vlag, op de bierviltjes, op de bankbiljetten: Angkor,
overal Angkor. Een bezoek aan de moeder der tempels is dus
onvermijdelijk, een must zoals dat heet. Na een helse boottocht van
negen uren op een veel te droge rivier tussen een groep witgesokte
prepensioen-Duitsers die elk een koffer van een ton (laten) meezeulen
en zo meer dan de helft van de zitplaatsjes in beslag nemen, belanden
we – oef, eindelijk – in Siem Reap. De nabijheid van de tempels wordt
hier helemaal op de spits gedreven: Angkor Hotel, Angkor Lodge, Temple
Lodge, Angkor Spa, Angkor Massage, Angkor Bar II. Je komt hier voor
Angkor Wat, laat daar geen twijfel over bestaan!
We kiezen er eerst de kleinste uit, de roze tempels van Banteay Srei. Het is de tempel met de best bewaarde, meest verfijnde steenreliëf,
prachtige taferelen uit de Reamkar, de Cambodiaanse versie van het
Hindu epos Ramayana. Waar hier de mens de natuur nog naar zijn hand
wist te zetten, heeft de natuur opnieuw de bovenhand in Ta Phrom. De
tempel wordt omsingeld en overmeesterd door de jungle.
Reusachtige wortels banen zich een weg door de stenen puzzel. Bij de
tempel van Ta Keo word ik overmeesterd door een acute aanval van
hoogtevrees. Ik klim zonder aarzelen de steile trappen
op naar een nog hoger gelegen niveau, geen besef van de hoogte en de
steilheid van de smalle trappen. Wanneer we gaan afdalen dringt dit
besef plots wel tot me door. Mijn knieën gaan knikken, het angstzweet
breekt me uit. Ik ga erbij zitten en durf geen meter meer op, welke
kant dan ook. Ik probeer mijn verstand op nul te zetten, haal een paar
keer diep adem en daal af, krampachtig voetje voor voetje, de
vingertoppen als weerhaken aan de stenen geklampt. Met beide voeten
stevig op de begane grond vind ik pas mijn lach terug. De tweehonderd
vredige tronies van de Bayon lachen terug. Angkor Wat zelf houden we voor het laatst, een mooie afsluiter van een wel heel bijzondere verzameling steenkunst.
Zeker een bierviltje waard!
We willen het platteland rond Battambang gaan verkennen. Omdat buitenlanders hier geen motootjes mogen huren, laten we ons rijden.
Stoffige weggetjes zigzaggen door een systeem van irrigatiekanaaltjes
langs rijstvelden, mangoplantages, bananenbomen, kokospalmen en kampot.
Hier worden sommige rijstvelden tot drie keer per jaar geoogst dankzij
de dam bij Kamping Puoy,
die water voorziet. De dam bewijst nu zijn nut, maar niet minder dan
10,000 uitgehongerde en mishandelde arbeiders lieten het leven bij de
bouw ervan onder de Khmer Rouge. Vandaag is het een mooie plek, een prachtig meer waarop het idyllisch roeien is tussen de ontelbare lotusbloemen en vissersbootjes. Een restant van de Franse aanwezigheid hier is de bamboetrein of norry. Om hout, rijst en passagiers tussen de dorpjes en naar Battambang te vervoeren, worden er rolletjes op het spoor gelegd en planken van bamboelatjes op de rolletjes. Het geheel wordt aangedreven door een veredelde grasmaaier. Bij Wat Banan
krijgen we een voorproefje van de Angkor tempels, de toeristische
trekpleister van Cambodia. Beneden bij de rotswand, waar nu nog een
imposante bamboestelling
de rotsen omringt, zal over vijf jaar een 112m grote rotsgravure over
het leven van de Boeddha te zien zijn. Het is een project van Morodaki
Angkor om de kansarmen een vak te leren en hoop op een betere toekomst
te bieden. Na vijf maanden zonder fornuis, kan ik aan de slag in de
keuken. Het Smokin’ Pot restaurant in Battambang geeft kooklessen.
Eerst gaan we naar de markt waar we tussen de soms bizarre
voedings(?)waren – schildpadden, stinky fish paste – zorgvuldig onze
ingrediënten uitkiezen. Na een ochtendje wokken kan ik drie gerechten
klaarmaken: de Cambodiaanse amok (kokoscurry) en lok lak (rundsblokjes
met ei) en de Thaise tom yam (pikante soep). Mmmm. Wellicht zie je me
over enkele maanden met mijn receptenboekje door de rayons van de
Sino-Antwerspse Sun Wah speuren.
Niets beter om de asiatitis (zie Asiatitis) te lijf te gaan dan een weekendje strand. Lekker dobberen
in de Golf van Thailand, cocktailtje bij het maanlicht, zand tussen de
teentjes en golven die rollen tot bij je luie stoel. Aaah. Adem in,
adem uit. De sterren fonkelen en worden bijgestaan door de vuurdans van een strandartiest. Even weg uit de drukte,
de hitte en de bittere pil van het oorlogsverleden. Even herbronnen,
onthaasten, ontgiften, whatever. Gewoon de zon zien zakken in de zee.