Er was iets mis met Duitsland. Ik ging als kind met de camper de
mooiste landschappen door. Frankrijk, Nederland, Luxemburg. Maar nooit
naar Duitsland. Er werd over Duitsers gepraat alsof het nog een beetje
oorlog was. Alsof ze allemaal een beetje schuldig waren aan de dood van
opa. Er was duidelijk iets mis met Duitsland. Het heeft moeten duren
tot november van dit jaar dat ik er, ondertussen met een eigen
campertje, op ontdekking ging. De atlas valt open op de Moezel.
De bladeren vallen in de mooiste kleuren van de bomen. Ik vind de
herfst meestal maar nat en grijs. Dat komt omdat ik in een stad woon.
De herfst in een bos daarentegen, geeft een prachtig kleurenpalet. Het is een beetje mistig. De rotsen doemen op in de meest grillige formaties. We kruipen door de Duivelskloof in het bos rond Irrel, slurpen hete choco en rapen oranje bladeren voor een plakboek wat er nooit van komt.
In Trier wil ik perse naar de dom.
Ik heb iets met kerken, maar niets met religie. Ik hou van de stilte
die er heerst, de kaarsjes, de lichtinval. Een mentaal wellnesscentrum.
Zoiets. De bloedende Christus en zijn eeuwig jankende moeder moet je er
dan maar bijnemen. Wat is het eigenlijk allemaal schijnheilig. Wat een
bloed, zweet en tranen werden er toch in deze bouwsels gestopt om iets
te eren wat binnenin al lang zoek was. Een beginnend protest wordt in
de kiem gesmoord met glaasjes Riesling en een knapperige worst aan een
kraampje op het plein. Moderne winkels in oude vakwerkhuizen. Het Hans
und Gretel gevoel komt opzetten. Gotische letters sieren de etalages en
hangborden. Je stapt terug in een tijd van koetsen.
We rijden langs de Moezel
die zich in duizend bochten wringt omgeven door steile hellingen vol
wijngaarden. De oogst is al binnen, maar de heuvels staan er nog groen
bij. Heel mooi allemaal en erg mistig. Elk dorpje heeft wel een
Wohnmobilstellplatz aan de oever van de rivier. Even een paar
Euromarken geven aan de Frau in het straatje om de hoek en je kan er
overnachten. We zijn nog maar eens de kleinste camper van de kudde.
Zonder schotelantenne.
In Bernkastel-Kues stap je net een sprookje binnen. Vakwerkhuisjes tieren welig. Sommige groot en statig, andere als voor een dwerg.
Het heeft wel een erg groot knusheidsgehalte allemaal. De gebroeders
Grimm hebben hier een kluif aan. We doen ons tegoed aan nog meer
Riesling en de obligate schnitzel en dan gaat het terug richting
thuisfront. Er is niets mis met Duitsland. En opa? Dat was de oorlog en
die is overal even ziek.
We waren laatst weer eens naar onze verre zuiderburen. Eigenlijk bijna
onze Afrikaanse neefjes want zwem je een rots verder, dan zit je in
Marokko. Niet dat er daar veel gezwommen wordt. De oversteek gebeurt
eerder in obscure lekke sloepen of zelfgemaakte badkuipen door een
radeloze groep vluchtelingen op weg naar Fort Europa. Dit even
terzijde. Onze overtocht was iets minder roekeloos. De
vliegtuigwieltjes raken de tarmac en je ziet de hitte al sidderen boven
de horizonlijn. Eens buiten met pak en zak slaat de zonnehitte je in
het gezicht. Het is hier warm, erg warm. Welkom in Malaga, Andalucia.
Land van de flamenco,
de sherry, de paarden en de tapa’s.
Ik was weer eens toe aan een streepje zon en een hoekje strand. Het toeval wilt dat mijn vriendin Shams in Hurghada een bed & breakfast runt. Ik dus richting Egypte. Ik was voordien al één keer in Afrika, maar die uitstap heeft zich -schandalig genoeg- volledig afgespeeld binnen de muren van een Tunesisch all-in complex. Dat zou ik nu wel eens anders doen! Shams is de ultieme multitasker. Naast de bed & breakfast runnen, is ze ook reisleidster, lerares Nederlands en autosjacheraar. Een uitstap naar de culturele schatten van Egypte zat er dus zeker in… en kondigde zich zeer snel aan. Ik landde in Hurghada rond tien uur ‘s avonds en de bus naar Luxor zou om vier uur ‘s ochtends al vertrekken. Dat is ook het uur dat de loeiharde luidsprekers van de minaretten het ochtendgebed aankondigen. Een klagerig gezang vult de straten.
In november 1997 pleegde een stelletje moslimfundamentalisten een terroristische aanslag aan de . Er vielen 62 doden. Het toerisme in Egypte kende een historisch dieptepunt en om het tij te keren werden konvooien georganiseerd. De bussen naar eenzelfde bestemming komen bijeen op een grote parking en rijden vanaf daar in konvooi naar de toeristische trekpleisters. Voor- en achteraan rijden politiewagens en onderweg worden de zijwegen afgesloten voor alle verkeer. Omdat het een veiligere, maar ook een snellere manier van transport is gebleken, werd deze methode aangehouden, ook in tijden van verminderde terroristische dreiging. Je komt dus met zo’n 80 – in het hoogseizoen 200- bussen tegelijk aan de site aan. Door de plaatselijke autoriteiten wordt besloten wie eerst waar naartoe gaat. Op die manier zit je nooit opgezadeld met te grote concentraties bezoekers op één plek. Het doet allemaal een beetje raar aan, maar eigenlijk is het wel praktisch.
Het verbaast me hoe goed de monumenten bewaard zijn gebleven. De tempel van Amon in Karnak is zo goed als intact, op het dak na. Ook de hiërogliefen en steenkunst hebben de tand des tijds goed doorstaan. Ik daarentegen smelt als sneeuw voor de zon. Ik ben ondertussen al toe aan mijn derde liter water en ga puffend op zoek naar een centimeter schaduw. De zon is onverbiddelijk. Wanneer we rond het middaguur de Vallei der Koningen binnenrijden staat het kwik op 57°C. Een hoofddoek is dan geen overbodige luxe. Het is in deze vallei dat Howard Carter – eerder toevallig – de graftombe van Toetanchamon, Egypte’s beroemdste farao, gevonden heeft. Omdat de pyramiden bij Caïro werden geplunderd door grafrovers, werd besloten om de farao’s een laatste rustplaats te geven in ondergrondse graftombes in de woestijn. Ze zouden meer gecamoufleerd zijn. Helaas werden ook hier vele schatten weggekaapt. Een smalle steile trap naar beneden brengt je in de grafkamer. Prachtige hiërogliefen en muurschilderingen sieren de muren en plafonds. Een gigantische sarcofaag beeldt de farao uit die vredig met gekruiste armen, de levenssleutel in de handen, zijn overtocht naar het hiernamaals afwacht. Mijn overtocht is iets minder spectaculair. Met een sierlijk bootje steken we de Nijl over in Luxor.
Shams woont in het oude deel van Hurghada. Waar de hotelcomplexen niet overheersend zijn, waar ook nog Egyptenaren wonen, waar het nog gezellig kuieren is in de winkelstraatjes en de souk. Omdat zij ondertussen toch al een jaartje in Hurghada woont, spreekt Shams al een aardig mondje Arabisch. Dat komt goed van pas bij het winkelen. We worden niet aangeklampt bij de souvenirwinkels, laten de astronomische bedragen met een grijnslach de revue passeren en komen thuis met drie dagen eten en drinken voor 12 Euro. Geniaal!
Op vrijdag trekken we per jeep de woestijn in, bij de Red Sea Mountains. Het reisbureau heeft hier telescopen geplaatst. Om het kwetsbare materiaal niet steeds af- en aan te voeren, blijft het op deze plek. Daarom werd een groep Bedoeïners gevraagd of ze hier een nederzetting wilden starten. Als een soort expo-dorpje ben je getuige van het traditionele broodbakken. Je krijgt een rondleiding door de apotheek die met behulp van de natuurlijke rijkdommen van de woestijn een arsenaal aan medicijnen levert. Ook wordt er een ritje op de kameel aangeboden. De dag loopt langzaam op z’n einde en de bergen geven een prachtig kleurenpalet prijs in het licht van de ondergaande zon. Ook na de zonsondergang blijft er een mysterieus licht hangen in de woestijnvallei. De telescopen worden opgesteld. We kijken naar de ringen van Saturnus, de rood-blauwe nevel rond een ster, de heldere sterrenbeelden… ik word er stil van. En dan is de maan aan de beurt en word ik stiller dan stil…
We zijn een dwerg tussen de reuzen. Zelfs met het opklapdakje
uit, reiken we nog niet tot aan het trapje van de megacampers hier
naast ons op de staanplaats in Dieppe. Stuk voor stuk logge, designloze
leefcontainers op wielen. Met satellietschotel. De trotse mannelijke
eigenaars gaan op en neer hun rondje langs de soortgenoten. Hebt u ook
de Dump-a-Lump chemische toilet? De 30l of meteen maar de 50l? Zo
wisselen ze alle weetjes uit over de nieuwste hoogtechnologische
snufjes die deze reissport schijnt te vereisen. De vrouwen ondertussen,
allemaal gekleed in lycra joggings, maken een ommetje met de hond. Er
is een wet in de camperwereld: hoe groter de camper, hoe kleiner de
hond. Ze passeren ons en knikken vriendelijk. Een uitwisseling van
weetjes is duidelijk niet aan de orde. Onze lowtech microbus behoeft
geen verdere uitleg. Wanneer we later langs de smalle bochtige
weggetjes van het Normandische plattelandrondtoeren, ben ik maar wat blij dat het busje niet groter is. Het is krap met een tegenligger op de rijweg.
Als kind was ik ooit al in Normandië. Ik kon me nog de krijtrotsen van Etretat herinneren. En een dame die, op een bontjas na, poedelnaakt op het strand van het mondaine Deauville
lag te zonnen in een ligstoel met naast zich een fles champagne en een
man in driedelig pak, in die volgorde. Het strand ligt er dit keer
verlaten bij. De wind glijdt langs het zand met in haar kielzog een
sliert van korrels, een zwevend zandtapijt. Keesie kiest voor mij de de mooiste schelp.
Ik
kon me ook het kerkhof herinneren waar de Amerikaanse soldaten begraven
liggen. Ondertussen weet ik al iets meer over de oorlog, heb ik al de
nodige oorlogsfilms en documentaires gezien en begrijp ik iets beter
hoe het er toen aan toe moet zijn gegaan. De begraafplaats
blijft toch indruk op me maken. Hier en daar lopen mensen tussen de
kruisjes op zoek naar een ver familielid, de oorlogsheld. Dat ze er
ooit in geslaagd zijn om al die lichamen te bergen, iedereen in de
juiste put, moet op zich al een hele operatie geweest zijn. Als je de
oorlogsfilms mag geloven, was het meer een hoop opgeblazen
lichaamsdelen. Met de kunst maken ze er weer een romantisch heldendicht van. En ‘s avonds zorgt de horizon voor de nodige poëzie.
We reizen tot de grens met Bretagne en doen ook de Mont St.-Michel
aan. De parking die nog open is, zal over enkele uren zijn opgeslokt
door het zeewater. Morgen terugkomen is de boodschap. De rots is een
toeristenmagneet. De winkels schreeuwen het uit met hun
made-in-China-souvenirs. We volgen de kudde die leidt naar de abdij.
Het is de moeite waard.
Wanneer we het natuurschoon
achter ons moeten laten, de flessen Calvados en Bénédictine in de
kofferbak, steken we nog één keer de beentjes onder tafel en bestellen
aan het strand van Duinkerken wat ons de hele tocht al achtervolgt:
Crêpe Gigi. Pannekoeken met vanilleijs, amandelschijfjes en
karamelsaus. Een lekkere afsluiter van een Normandische tiendaagse per microbus.
We hebben met het busje, dat ondertussen de naam Lazy Daisy draagt, een
nieuw stukje België verkend. In het oosten op de kaart, waar je bijna
in drie landen tegelijk kan vertoeven, namen we de bochtjes van de Venen- en Meren route (PDF). Het begint aardig te lukken om de bus daar op de weg te krijgen waar ik hem hebben wil. Al gaat het parkeren
vaak gepaard met enig geluk. Ik geniet met volle teugen van het groen,
het beetje meer ruimte en een einder die niet stopt aan de betonnen
gevel van de overbuur. Even ontsnappen uit de stadse sleur, kantoorstof
laten waaien, daar kikkert een mens van op. Dat ik nog idyllisch kan
worden van een oorbellenkoe, een beetje zonsondergang en een frisse grasspriet, het stemt tot nadenken.
Als twee kinderen op verkenningstocht stappen we het bos
in. Al snel slaat de speelse fantasie op hol en stappen we op
elfentrapjes, kijken in het hol van de boze trol en schenkt de mooie
prins mij een madeliefje, versgeplukt. Heel even wanen we ons zelfs aan
de Hoover Dam.
‘s Avonds eindigt de zoektocht naar een slaapplaats op Camping Du
Moulin in Bevercé. Zoals kennelijk in alle campings in de streek
zwaaien ook hier Nederlanders de plak. Logo’s van Heineken en
Boswandeling sieren de toog waar Hazes loeihard uit de stereo
schreeuwt. Het is een ons-kent-onsje van onze noorderburen. Ardennen
aan de Amstel. Ondertussen zijn we al iets beter uitgerust en worden de
tafel en stoeltjes uitgeklapt. Een halve literatuurbak rust op het tafelblad. Ik baan me een weg door Omega minor van Paul Verhaeghen. Kees steekt zijn neus in de wetenschappelijke feitjes en trivia. Als het zonlicht slapen gaat,
trekken we ons terug in de buscocon en volgen met spanning de nieuwe
ontplooiingen in het Twin Peaks drama. Modern kamperen vereist nou
eenmaal een DVD-speler aan boord. Diep in ons rest er toch altijd dat
stukje stad.
Voor een weblog over reizen, rondtrekken, avonturieren en andere
grensoverschrijdende activiteiten is het hier de laatste tijd
behoorlijk stil en een beetje aan de saaie kant, al zeg ik het zelf.
Mijn werknemersvakantiekaart is opgesoupeerd. Het lijkt me iets te snel
om weer over het tijdskrediet te beginnen (hoewel…). Maar ondertussen
moet je toch wat, niet? Gaat mijn vader nu net zijn camper ruilen voor
een grotere, hebben wij nou net wat spaarcenten. Een beetje een
toevallige kosmische samenloop der omstandigheden. Hoewel, zo toevallig
is het nou ook weer niet. Ik loop al jaren te kwijlen van woonbusjes,
mobiele huisjes en aanverwante reisattributen. Op een mooie zondag belt
hij, mijn vader dus:” Ik sta hier in Nederland en die man die zijn
mobilhome verkoopt wilt ons busje overkopen. Ben jij nog
geïnteresseerd? Dan moet je nu beslissen!” De slaap hing nog in mijn
hoofd, de eerste geeuw was nog niet ontsnapt dus ik vraag of ik over
een vijftal minuutjes terug mag bellen. Ik naar Kees. Wij overleggen.
Nou ja, overleggen. Een beetje de fantasie de vrije loop laten, de hele
kampeerbussituatie trachten te visualiseren. Aanvoelen of we dat wel
willen. Kan ik daar om te beginnen wel mee rijden? “Alles went”, zegt
Kees. Ik bellen naar mijn pa: “Ja!” Aldus zodanig mag ik nu met enige
trots melden dat wij de trotse eigenaars (‘t is te zeggen
bijna-eigenaars, vrijdag even betalen) zijn van een Volkswagen California busje
van het goede bouwjaar 1992. California dreaming on such a winter’s
day…
Vanaf 6 november tot eind december kunt u op het gelijkvloers in de
gangen van de ITG polikliniek de tentoonstelling “Toerke door Azië”
bekijken. Zes foto’s worden begeleid door evenveel columns en schetsen
samen een momentopname uit Azië. De foto’s en teksten werden gemaakt
tijdens een reis van zeven maanden door Rusland, Mongolië, China,
Tibet, Nepal, Thailand, Laos en Cambodia in 2005-2006. Het volledige
relaas van de reis vindt u op deze website in de archieven. Gaat u gerust een kijkje nemen en reis een stukje mee…
Alles is ingepakt. Alle meubelen zijn gedemonteerd. We zijn er helemaal
klaar voor. Tenminste, dat dachten we. Enkele dagen nadat ik de
verhuiswagen had geregeld, werd er voor de gevel een stelling
geplaatst. Schilderwerken. Ik vertel de stellingbouwers dat er
donderdag moet verhuisd worden met een ladderlift. Geen probleem, komen
ze toch gewoon even de bovenste verdieping van de stelling afbreken.
Ondertussen is het donderdag en staat de stelling er nog. De
verhuiswagen heeft reeds rechtsomkeer gemaakt. Geen beginnen aan, zo
klinkt het. Nou leuk is dat! We zitten vast, in een kooi.
Na de nodige telefoontjes wordt er afgesproken maandag de ijzeren
constructie af te breken. Dinsdag gaan we verhuizen. Echt waar [zucht].
Duimen jongens!
Zo’n dertig appartementen zijn we gaan kijken. Vergeten om foto’s te
trekken natuurlijk. Na een tijdje kijk je naar de lijst en weet je het
niet meer juist. Was dit nu de plek met het ligbad en het terrasje, of
was het die met de hoge kamers en houten vloer? En wat zat er alweer in
de kosten inbegrepen? Enkele stulpjes werden voor onze neus weggekaapt,
andere waren nog geen bezoek waard. Ik wilde graag op het Zuid blijven,
dicht bij het werk (lees: de winkels en de kroegen). Onze zoektocht
werd uiteindelijk beloond. De vangst is een schattig appartementje nabij het Museum voor Schone Kunsten. Lichte kamers met
houten vloeren, nieuwe electriciteit, nieuwe boilers en kachels, pas
geverfd (maar al droog), met een aparte slaapkamer en de goedkoopste
uit het aanbod. Donderdag gaan we verhuizen
en vanaf 1 september wonen we er officieel. Een Belgo-Nederlands
inwijdingsritueel met hapjes en drankjes volgt weldra.
Eigenlijk wilden we terug naar Mongolië. We droomden over motorrijden
door de eindeloze steppe, tabak snuiven met de locals en vodkarituelen
in het Mongoolse maanlicht. Die droom ging lichtjes aan diggelen bij
het opvragen van de prijzen voor vliegtuigtickets – 2000 Euro per
persoon. En dan moesten we nog Chinese sleurbakken kopen. Niet dus.
Even dwaalden onze reisgedachten naar een roadtrip door het westen van
de VS, maar ook een retourtje Las Vegas bleek ons budget al snel te
zullen kelderen. We gingen grasduinen door de atlas en lieten onze
gedachten nogmaals de vrije loop. Ik had ooit over IJsland gevlogen op
weg naar New York en kon me herinneren dat ik dat toen heel
spectaculair had gevonden. Waarom niet IJsland?, opperde ik en het is
zo dat we enkele dagen later met onze rugzakken in het land van vuur en ijs zijn beland.
Voor 250 Euro heb je een buspas op zak die je toelaat in één richting
rond het eiland te reizen. Je stapt op en af waar je wil. We beginnen
met een verkenning van Reykjavik: slenteren door de winkelstraten,
kunstminnen in de musea, dobberen in de baai op zoek naar walvissen en
een eerste etentje waarna het gelijk richting Bonus supermarkt gaat op
zoek naar een goedkope voedselvoorraad. Bier of wijn vind je er niet,
daarvoor moet je naar de “vinbud”, de staatswinkel met het monopolie op
de alcoholverkoop. IJslanders gaan in het weekend massaal hun karretjes
vullen in de vinbud, hokken samen in elkaars huis,
nuttigen een overdaad aan schnaps en bier om vervolgens laveloos een
uurtje of wat in een prijzige bar hun kostbare Kronen neer te tellen.
In deze kroegen wordt met behulp van zwarte rolgordijnen een nachtelijk
sfeertje geschapen. Het wordt hier in juli namelijk nooit donker. Rond
een uur of twee ’s morgens begint het ietwat te schemeren om om vijf
uur alweer plaats te ruimen voor het zonlicht. Bizar.
Onze eerste bestemming wordt Landmannalaugar, waar het Laugavegurpad je 55 km verderop naar Thorsmork brengt. De trek duurt vier dagen. In regenpak vertrekken
we in een lichte motregen met een veel te zware rugzak. Even later gaat
het echt regenen, nog wat later valt het met bakken uit de hemel die
ook nog wat fikse rukwinden op ons afstuurt. Na drie uur stappen
zwemmen mijn tenen in mijn botten, kondigen de eerste blaren zich al
aan en is mijn regenpak die naam niet meer waardig. We besluiten terug
te keren. Het wordt een minitrek. Gelukkig is er bij Landmannalaugar
een heerlijke warmwaterbron waar we onze doorweekte lijven troosten in
het sulfursapje. De stank van rotte eieren neem je er op zo’n moment
graag bij.
De volgende halte houden we bij Skaftafell National Park. De weergoden
zijn ons ditmaal goedgezind en we wandelen droog en zonder rugzak langs
de paadjes van het park. We zien onze eerste gletsjer en de Svartifoss waterval met haar bizarre rotsformaties, de “blokkendoos”. Op weg naar Höfn passeren we het mysterieuze blauwe ijsmeer van Jökulsárlon.
Blauwe en zwarte ijsklompen drijven haast roerloos op het blauwe water.
Je waant jezelf aan de Noordpool (nou ja waan, het is dan ook om de
hoek). We nemen een bootje naar Papey Island waar we de beruchte papegaaiduikers
van heel dichtbij kunnen observeren. De “puffins” zijn één van de
symbolen van IJsland, en dan vooral van de IJslandse
toeristenindustrie. Geen winkeltje of je vindt er een
puffin-sleutelhanger, een puffin-frigomagneet of een puffin-muffin.
Maar het zijn wel mooie diertjes, dat moet ik toegeven. Op onze
terugtocht liggen er op het dek in een net een twintigtal
puffinlijkjes. Blijkbaar worden die geserveerd in het plaatselijke
restaurant.
Met de regelmaat van de klok bevinden we ons aan een bushalte en doen zo al de natuurfenomen aan: warmwaterbronnen, geisers, gletsjers en watervallen.
De dorpjes liggen er een beetje troosteloos bij. De prefabhuisjes
stralen van de grauwheid en het culturele leven lijkt zich te centreren
rond de Esso-shops waar de alomtegenwoordige hotdog het gespreksthema
van de dag is. Die eet je comme il faut met “alles erop”: gebakken
uitjes, rauwe uitjes en niet minder dan drie sauzen. When in Rome…
Vanuit het noorden nemen we de busroute die door het woestere
binnenland gaat. De bus staat wel hoog op zijn poten en na het
doorkruisen van enkele rivieren zijn we daar heel dankbaar voor. De bus
lijkt te gaan kantelen maar de chauffeur glimlacht met een
koelbloedigheid een Viking waardig en trotseert zonder schroom de
elementen. Het binnenland lijkt wel één groot lavaveld. Geen bosje of
struik te bespeuren, het is al zwart stof en kraters wat ons omringt.
Een van de hoogtepunten van de reis wordt het gebied van Thorsmork. Steile paadjes brengen ons in een groener dan groen landschap van grillige rotsen, dampende geisergaten en een horizon vol gletsjer.
Het lijkt wel iets uit Lord of the Ring. En dan gaat het terug richting
Reykjavik waar we ons een laatste keer tegoed doen aan het fenomeen van
de warmwaterbron. Al is de Blue Lagoon
aangelegd, het blijft toch heerlijk dobberen in het warme water, stomen
in een grot en bakken in de sauna. We slapen nog een laatste keer in
ons kleine tenthuisje
in een nacht die nooit nacht wordt en tellen stilaan af naar het begin
van een nieuwe werkweek, ergens ver weg in september, ver weg op het
vasteland.