Het klonk als zand tegen het tentzeil. Of een stevige wind met een hoop
stof. Maar wanneer Kees ‘s ochtends het tenthuisje verlaat, kraakt het.
En het kraakt hard. Het heeft de hele nacht gesneeuwd. De jeep en tenten staan in een witte vlakte (voor/na).
De wind snijdt aan mijn oren. Het is koud. Gekleed in vijf laagjes haal
ik net de comforttemperatuur. Ik denk dat ik maar eens een jas ga
kopen. Goed plan!
Er lijkt geen einde aan te komen. De ene vallei
nog groter dan de andere. Een bergketen in de verte wil maar niet
naderen. Heuvels die glooien tot in het oneindige. Dit land is groot.
Of beter, dit stukje land is groot. Waren we tot Erdenet nog in de
watten gelegd met geasfalteerde wegen, vanaf dan is het een
opeenvolging van vlotte steppewegen, korstige aardewegen, botbrekende
bultenwegen, geen wegen. Geen sprake meer van watten. Aan een pas vind je vaak een oovoo,
een stapel stenen of hout, gedrapeerd met blauwe zijden sjaals en
omgeven door allerlei offers. Dat kan gaan van een stel krukken,
getuige van een vroeger ongeluk, lege Vodkaflessen, geld of wierook. Je
loopt driemaal kloksgewijs rond de oovoo en gaat gezegend verder op
weg.
Het begint met eentje. Dan zie je er enkele. Even later word je omhuld
door een deken van sterren. Het is lang geleden dat ik er nog zoveel
tegelijk zag. Het begint met eentje. Het kommetje wordt je aangereikt.
Je dompelt de tip van je ringvinger in de Wodka en sprenkelt enkele
druppels in de lucht. En dit driemaal: een keer voor vader hemel, voor
moeder aarde en voor de goden. Zo doen de kommetjes en de verhalen de
ronde.
Norov is onze 3 in 1: gids, tolk en kok. Ze werd geboren in Bulgan en
leefde er 18 jaar. Dan verhuisde ze naar de grotere provinciestad
Darkhan waar ze ‘s winters woont bij haar moeder en nicht. ‘s Zomers
leeft ze van het toerisme. Omdat bijna alle reisbureau’s opereren
vanuit UB woont ze tijdens het seizoen in de hoofdstad bij haar zuster.
Het komt vaak voor dat familieleden tijdelijk bij elkaar intrekken. Zo
wonen de nomadenkinderen tijdens het schooljaar vaak bij familieleden
in provinciestadjes en helpen ze ‘s zomers op het platteland bij de
ouders.
Waarom de hoofdstraat Peace Avenue heet, is heden ten dage een
surrealistisch raadsel. Er is niets vredevols aan deze asfalt jungle.
Omringd door een doofmakende symfonie van geclaxoneer doorheen een
bruine wolk van smog waagt de voetganger zich bij groen (!) licht op
het zebrapad. Af en toe staat een agent met z’n fluitje het
decibelgehalte van de symfonie op te drijven. Meer kan hij niet doen.
Het straatbeeld is een verzameling schreeuwende reclameborden,
fruitkraampjes, peukkiosken en gaten in het wegdek waar een speleoloog
van gaat kwijlen. Straatventers, schoenpoetsers, boefjes en bedelende
jongetjes maken het plaatje compleet.
Het is allemaal wat chaotisch. In de stille oase van het Mongolian
Museum of National History bewonder ik de prachtige klederdracht. Daar
kan mijn kaboutermutsje niet tegenop! Gelukkig ontsnappen we morgen uit
deze drukte. We laden de 4×4 in en vertrekken voor een 17-daagse jeeptocht doorheen een hoekje van het land
. We zijn heel benieuwd wat dat gaat worden… Voorlopig over and out.
Waren de eerste stations nog voorzien van lekkers voor de reizigers, nu
begint het vrij moeilijk te worden om nog ‘ns iets vers te pakken te
krijgen. Geen kiosken meer op het perron, geen idee hoe lang de trein
halte houdt en dus neem je ook geen risico door op zoek te gaan in en
rond het station. We zijn al een keer de trein opgeklommen toen die
vlotjes in beweging was. Daar heb ik geen zin meer in. En zo leef je op
een dieet van noedels, oud brood, noedels, water en noedels. Het
sappige fruit waarvan je de consumptie zou spreiden over de hele reis,
is natuurlijk reeds lang verorberd. En de chocoladeluxe die we onszelf
gunden gaat zo meteen ontaarden in het ultieme gevecht voor de laatste
reep.
Op woensdagavond 21:30 ga je aan boord van een trein in Moskou en op
maandagochtend 8:00 sta je 6.304 km verder in Ulaanbataar, lichtjes
gehypnotizeerd door de spoorcadans, suf gewiegd op de rijdende markt.
Want dat is het eigenlijk. Behalve de coupés 1e klas en enkele 2e klas
toeristen zijn de passagiers allemaal Mongoolse handelaars. Bij elke
stop proberen ze op het perron of vanuit het raam
de in bulk aangekochte jeansbroeken, jasjes van plastieken vee,
synthetische truitjes, handtasjes en sportschoenen aan de man te
brengen. Vaak ontaardt dit in een chaos
op het perron. Een troep krioelende mensen die keuren, passen, draaien,
keren en zich haasten tot de laatsten de reling van de treindeur
vastgrijpen en zich de trein, reeds in draf, ophijsen in cowboystijl.
Een laatste middag in Moskou kunnen we er nog net een bezoekje aan het
Kosmonautenmuseum tussen wringen. Een prachtig monument, inclusief raket en ‘s vaderlandsch vrijmoedigen
siert het dak van het blitse gebouw uit 1968. De collectie staat bol
van de eretekens, ruimtesondes en Mirfoto’s. Laika’s hondenruimtepakje
steelt wat mij betreft de show. Recht uit Kuifje! We kopen een paar
prachtige propagandaposters die we helaas nog niet verstuurd krijgen.
In het centrale postkantoor van deze wereldhoofdstad slagen we er niet
in een pakje naar het buitenland te sturen. Loket 40 stuurt ons naar
47, terug naar 40 en uiteindelijk van het kastje naar de muur. We
vullen onze reserves aan op het all you can eat, prop till you drop,
buffet van het Ismailyovo hotel voor 250 Roebels en gaan richting
station.
Beelden van vaderlandse helden in de weer met wapens, ploegen of
simpelweg naald en draad sieren de monumentale metrostations van de
hoofdstad. De mensen lijken iets Russischer – of minder Westers, hoe
zal ik het zeggen. Minder tierlantijntjes, minder sier. Vooral veel
grauwe gezichten zo vroeg op de ochtend op weg naar het werk of naar de
werkeloosheid. Oude vrouwtjes met sjaaltjes, vijftigers met gouden
tanden waar eens een jong gebit van zich afbeet. Een investering voor
de begrafenis (dixit Kees). Hier hangt duidelijk een andere sfeer dan
in Peters stad.
Een dag niksen, wat schrijfselen uit de pen wringen, beetje lol trappen met gekke hoedjes en foute foto’s.
En dan naar platforma 6. Daar vertrekt onze nachttrein die ons 600
kilometer verder en 7,5 uur later naar het Leningradskaya station in
Moskou zal sporen. Ik heb geen idee van de voorzieningen op zo’n trein
en dus sleur ik een tros bananen, een ton drinkwater en koekjes mee. We
delen onze coupé met twee Russen. Eentje kruipt meteen in zijn beddenbak onder het dak,
de andere knoopt in half Engels, half Duits en een kwartje polyglotisch
een gesprek aan over zijn jaren als klerk op de Russische ambassade in
Brussel. Hoe hij het bloementapijt op de Grote Markt zo kon waarderen,
hoe zoet de Leffe binnenliep, hoe zijn kinderen konden genieten van de
Antwerpse zoo. We vertellen hem over onze reisplannen en hij begrijpt
niet goed wat ons naar het “exotischen” Mongolië drijft. Tja, valt
moeilijk uit te leggen. Nieuwsgierigheid?